Other notes by Rydeck:
|
|
Hik je ook zo aan tegen die stapel studieboeken die op je ligt te wachten? Of tegen al die rapporten die je voor je werk nog moet lezen? Dwaalt je geest steeds af tijdens het lezen van dat saaie verslag? Tien tegen één dat je je tijd liever anders invult. Volg deze cursus snellezen, dan hou je tenminste weer tijd over voor leuke dingen.
Efficiënt lezen
Er zijn veel verschillende technieken om je leessnelheid te verhogen. Die methoden zijn onder te verdelen in twee categorieën:
* Fysiek sneller lezen door gebruik te maken van bepaalde hand- en oogbewegingen
* Efficiënter lezen door gebruik te maken van wat de tekst te bieden heeft
In deze cursus gaat het over de tweede categorie, omdat fysiek sneller lezen moeilijk te leren is middels een online cursus.
Oefening
Zoek voordat je begint aan de cursus alle boeken, verslagen, artikelen en andere teksten die je voor werk of studie nog moet lezen bij elkaar en leg ze op een stapel. Deze stapel ga je gebruiken als oefenmateriaal.
Kies nu twee teksten uit de stapel. Het onderwerp maakt niet uit, maar zorg dat het allebei teksten zijn die je nog niet eerder gelezen hebt. Het moeten ook teksten zijn die ongeveer even lang zijn. Pak je stopwatch of gebruik een online stopwatch. Lees de eerste tekst in je normale tempo door en noteer hoeveel tijd je daarvoor nodig had.
Leg de teksten allebei weg, zonder naar de tweede tekst te kijken. Aan het eind van de cursus komen we hierop terug.
Slechte gewoonten: woord-voor-woord lezen en subvocaliseren
Als je een boek leest, begin je op de eerste pagina en werkt je door de tekst heen naar de laatste pagina. Scott H. Young wijst erop dat dit een hoogst inefficiënte manier van lezen is. Als je zo leest, lijkt het alsof je niet aan het lezen bent, maar luistert naar iemand die de tekst voorleest.
Het is wel logisch dat je op deze manier leest. Dit is tenslotte de manier waarop je hebt leren lezen: woord voor woord, zin voor zin, tot je aan het einde van de tekst komt. Vroeger op school deed je dat hardop, maar zodra je door had dat je de woorden ook in je hoofd kon uitspreken, stopte je met hardop lezen.
Als je de woorden in je hoofd steeds uitspreekt, ben je aan het subvocaliseren. En dan duurt het langer dan nodig om een tekst te lezen. Je maakt dan namelijk van ieder woord een soort foto, die je hersens moeten omzetten in gesproken taal. Terwijl onze hersenen ook prima meerdere woorden tegelijk kunnen verwerken, zonder te subvocaliseren. Sterker nog: dat is zelfs beter, omdat de woorden dan in verband met elkaar staan en beter te onthouden zijn.
Lees vooral niet de hele tekst
Snellezen is eigenlijk niet meer dan efficiënt lezen. En de gouden tip daarbij is: lees vooral niet de hele tekst. Er staan namelijk hele stukken in die niet belangrijk zijn voor je leesdoel. Als je de structuur van de tekst herkent en je leesdoel voor ogen houdt, zie je de belangrijke stukken heel snel en is het dus niet nodig om alle bijzaken ook te lezen.
Toch is snellezen een omstreden begrip. Dat komt vooral door de vele methoden die er zijn om fysiek sneller te lezen, die gouden bergen beloven (lees 50.000 woorden per minuut!). Dat is misschien haalbaar, je kunt zelfs in een seconde een hele pagina lezen, maar het gaat er ook om dat je de informatie onthoudt. Efficiënt lezen is daarvoor een goede methode. Door een tekst efficiënt, en dus snel, te lezen kun je evenveel informatie verwerken en onthouden als wanneer je een tekst intensief leest.
Tekstsoorten
We onderscheiden vier hoofdcategorieën als het gaat om teksten:
1. Informatieve teksten (een nieuwsbericht, de tekst in een encyclopedie): hierin staan vooral feiten. Een onderwerp wordt in een informatieve tekst van alle kanten belicht, en de schrijver neemt geen standpunt in.
2. Opiniërende teksten (een column, een recensie): een opiniërende tekst geeft de mening van de schrijver weer, zonder. Als lezer ben je vrij om dat standpunt te delen of niet: de schrijver probeert je niet te overtuigen van zijn eigen gelijk.
3. Persuasieve teksten (een advertentietekst, een verkoopbrief): als een schrijver voor deze tekstsoort kiest, wil hij je juist wel ergens van overtuigen. De schrijver neemt een duidelijk standpunt in en wil jou overhalen die mening te gaan delen.
4. Amuserende teksten (een roman, een kort verhaal): deze teksten bevatten geen zakelijke informatie, maar vertellen een verhaal. Je leest ze voornamelijk voor je eigen plezier.
Een medium kan verschillende tekstsoorten bevatten. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar een folder over een computer.
* De folder bevat een opsomming van de specificaties en een lijst van verkooppunten: informatieve tekst.
* De folder prijst de voordelen van deze computer aan en de prijs staat groot vermeld: persuasieve tekst.
Een mengvorm van verschillende tekstsoorten is ook mogelijk. Studieboeken zijn informatief maar bevatten vaak ook amuserende elementen om de stof te verlevendigen.
Als je weet met welke tekstsoort je te maken hebt, kun je bepaalde aannames doen die het snellezen makkelijker maken. Een informatieve tekst zal bijvoorbeeld meer feitelijke informatie (wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe?) en minder subjectieve informatie geven dan een persuasieve tekst. Als je dat al weet, zul je in een informatieve tekst niet nodeloos op zoek gaan naar de mening van de schrijver over een bepaald onderwerp.
Oefening
* Loop je stapel door en bepaal voor elk item de tekstsoort die de boventoon voert. Schrijf de tekstsoort erboven of plak er een geeltje op.
Bepaal je leesdoel
Zakelijke teksten lees je altijd met een bepaald doel. Hoe duidelijker je dat doel (of die doelen) voor ogen hebt, hoe sneller je de gewenste informatie vindt. Vergelijk het maar met een zoekmachine op internet: als je een zoekopdracht geeft, vergelijkt de zoekmachine die term met miljoenen internetpaginas. En alleen de sites waarmee hij een match maakt, komen op je scherm. Hoe specifieker je zoekterm, hoe groter de kans dat je precies de juiste site vindt.
Je ogen sturen alles wat ze zien naar de hersens, die vervolgens die informatie vergelijken met het leesdoel. Zodra ze een match vinden, zorgen je hersens ervoor dat je blik daarop blijft rusten.
Leesdoelen zijn er in allerlei soorten en maten. Toch zijn ze allemaal onder te brengen in twee categorieën:
1. Het antwoord vinden op een gerichte vraag (of op meerdere vragen)
2. De belangrijkste informatie uit een tekst halen
Op deze cursustekst kun je beide leesdoelen toepassen. Als je hem in zijn geheel zou printen, zou je acht paginas krijgen. Natuurlijk willen we graag dat je alles leest, maar je zou ook op zoek kunnen gaan naar het antwoord op de vraag: hoe kan de structuur van een tekst me helpen sneller te lezen? Een hele gerichte vraag dus.
Maar het kan ook zijn dat je een overzicht wilt krijgen van het onderwerp als geheel. Niet alleen het hoe van snellezen, maar ook het waarom en voor wie en wanneer. En wat is snellezen eigenlijk? Deze vragen zijn wat algemener, omdat je op zoek bent naar de kern van de tekst.
Om de gewenste informatie te vinden, ga je gericht op zoek, bijvoorbeeld naar sleutelwoorden of structuuraanduiders zoals tussenkoppen. De rest van de tekst, zoals de oefeningen en de voorbeelden, sla je over. Die informatie is op dat moment niet belangrijk. Met je leesdoel vast voor ogen lees je dus al een stuk sneller dan zonder leesdoel.
Oefening
* Loop nu je stapel weer door en bepaal voor ieder item wat je leesdoel wordt. Schrijf dat boven de tekst of op een geeltje. Als je meerdere gerichte vragen wilt beantwoorden, schrijf je iedere vraag apart op een geeltje.
De structuur herkennen
Iedere tekst heeft een structuur, die meestal past bij het doel van de tekst. Als de structuur onjuist is of helemaal ontbreekt, breng je hem zelf aan, bijvoorbeeld door een structuurschema te maken of tussenkopjes en belangrijke woorden in de marge van de tekst te schrijven.
Belangrijk bij het herkennen van de structuur is dat je onderscheid maakt tussen de macrostructuur en de microstructuur van een tekst. De macrostructuur is de indeling van de tekst in hoofdstukken, paragrafen en alineas. De microstructuur is de opbouw van de tekst op het niveau van woorden en zinnen.
De macrostructuur is vaak te herkennen aan structuuraanduiders zoals tussenkopjes. De microstructuur vind je door te letten op sleutelwoorden en signaalwoorden, te kijken welke zinnen bij elkaar horen en welke zinnen de kern van een alinea vormen.
In het boekje Lees beter, lees sneller, dat Manya en Eric de Leeuw al in 1965 schreven, staan goede tips voor sneller lezen, die ook nu nog toepasbaar zijn. Zij noemen de opbouw van een tekst het skelet. Net als bij sommige dieren, kan het skelet van een tekst aan de buitenkant zitten. Dat is vaak het geval bij wetenschappelijke en zakelijke teksten.
Oefening
* Kies uit je stapel minimaal vijf teksten. Bij dikke boeken kies je per boek één hoofdstuk.
* Je tijdelijke leesdoel bij deze teksten is: de kern uit de tekst halen. Je gaat dus even voorbij aan het leesdoel dat je eerder voor deze teksten hebt gesteld.
* Lees deze vijf teksten nu intensief door en schrijf voor iedere tekst een samenvatting van maximaal 1 A4. Daarna leg je de samenvattingen naast de oorspronkelijke teksten. Heb je alle belangrijke informatie eruit gehaald?
* En staat de informatie in je samenvatting in dezelfde volgorde als die in de oorspronkelijke tekst? Als het antwoord op die vraag nee is, bepaal dan voor jezelf welke volgorde jij logischer vindt. Een voor jou logische opbouw onthoud je namelijk beter.
Sleutelwoorden en signaalwoorden
In iedere tekst staan woorden die voor een goed begrip van de inhoud van de tekst essentieel zijn. Die verschillen natuurlijk per onderwerp. Het mooie van die zogenaamde sleutelwoorden is, dat je ze kunt gebruiken als ankers voor je ogen: plekken waar je blik even aan blijft haken. En dat is erg handig bij het snellezen.
Bekijk (dus niet lezen!) de onderstaande tekst van Wikipedia over biodiesel eens. Stel jezelf daarbij als leesdoel voor ogen de volgende vraag te beantwoorden:
* Hoe kunnen stikstofoxiden goed verwijderd worden uit biodiesel?
Het belangrijkste milieuvoordeel van biodiesel is dat de basisgrondstof (PPO, pure plantaardige olie) biologisch afbreekbaar is, niet giftig is en geen zwavel en aromaten bevat. Daarentegen zijn de benodigde chemicaliën voor de verestering dan wel weer toxisch. Bij verbranding komt veel minder zwaveloxide en koolstofmonoxide vrij dan gewone brandstof. Maar er komen wel meer stikstofoxiden vrij, die bijdragen tot de vorming van ozon (zure regen). Met een katalysatorsysteem in auto-uitlaten zijn deze stikstofoxiden goed te verwijderen. De belangrijkste drijfveer voor het gebruik van biodiesel is de neutralisering van de CO2-uitstoot. Een gedeelte van deze milieuwinst wordt teniet gedaan door het energieverbruik tijdens productie en transport van de grondstoffen.
(bron: Wikipedia-artikel Biodiesel)
Als het goed is, liet je je blik over de tekst glijden zonder hem echt te lezen. Toen je bij het woord stikstofoxiden aankwam, bleef je blik daar automatisch op rusten, omdat je wist dat het een belangrijk woord was. Een sleutelwoord dus.
Wanneer je vervolgens de omgeving van het sleutelwoord afzoekt, kom je weer andere sleutelwoorden tegen, in dit geval bijvoorbeeld verwijderen en katalysator.
Naast de inhoudelijke sleutelwoorden bestaan er ook standaard signaalwoorden die in iedere tekst voorkomen.
Oefening
* Kies weer een tekst uit je stapel en markeer alle sleutelwoorden, of maak er op een geeltje een lijstje van. Als je een boek hebt gekozen, markeer je alle sleutelwoorden in het eerste hoofdstuk.
Leestechnieken
Leestechniek 1: oriënterend lezen
Oriënterend lezen is niets anders dan je een beeld vormen van de tekst. Het is makkelijk te leren als je weet hoe je de structuur kunt herkennen en je leesdoel vast voor ogen houdt.
Oefening
* Neem een boek van je stapel en gebruik dat als materiaal voor het onderstaande stappenplan.
Concentreer je eerst op de macrostructuur:
* Bekijk de inhoudsopgave, die helpt je om een eerste indruk te krijgen van de indeling van de tekst in hoofdstukken en paragrafen. Als er geen inhoudsopgave is, bekijk dan alle tussenkopjes.
* Lees ook het voorwoord of de inleiding. Probeer erachter te komen wat het doel van de tekst is (wat wilde de schrijver met deze tekst?) en met welke tekstsoort je te maken hebt.
* Bekijk figuren, grafieken, afbeeldingen en tekstkaders.
* Lees de eerste en laatste zinnen van ieder hoofdstuk om een indruk te krijgen van de schrijfstijl.
Als je de macrostructuur gevonden hebt, ga je verder met de microstructuur:
* Blader de tekst door en let op sleutelwoorden en signaalwoorden. Signaalwoorden helpen je te bepalen welke zinnen bij elkaar horen.
* Let ook op de opmaak van de tekst: als bepaalde woorden of zinnen er anders uitzien dan de rest, staat er waarschijnlijk iets belangrijks
* Lees van iedere alinea de eerste en de laatste zin. Grote kans dat daarin de kern van de alinea te vinden is.
Tijdens het oriënterend lezen maak je aantekeningen met behulp van een mindmap of een structuurschema. Als je een gedeelte van de tekst niet begrijpt, lees dat stuk dan helemaal. Het kan zijn dat de kern van de alinea toch ergens anders staat.
Oriënterend lezen wordt ook wel globaal lezen of zoekend lezen genoemd, omdat je je een indruk vormt van de tekst en op zoek gaat naar de structuur. In de praktijk is deze techniek vooral handig voor een eerste kennismaking met de tekst.
Leestechniek 2: skimmend lezen
Skimmend lezen is een manier van lezen waarbij je alle overbodige informatie overslaat. Dat kan op twee manieren:
* Door overbodige woorden over te slaan
* Door overbodige stukken tekst over te slaan
Overbodige woorden overslaan
De eerste manier is het gemakkelijkst. Je leest alleen die woorden die voor een goed begrip van de zin essentieel zijn. Het begin van de tekst op deze pagina lees je dan dus als volgt:
Skimmend lezen overbodige informatie overslaat twee manieren woorden stukken tekst.
Je leest dus alleen de woorden die een aan het onderwerp gerelateerde betekenis hebben. Alle andere woorden laat je weg. Als je het leesdoel van tevoren hebt bepaald en dat goed voor ogen houdt, is het niet moeilijk de sleutelwoorden in een tekst aan te wijzen.
Overbodige stukken tekst overslaan
De tweede methode, stukken tekst overslaan, ligt in het verlengde van de eerste. In plaats van woorden over te slaan, laat je bijvoorbeeld het middelste deel van een alinea weg en leest alleen de eerste en laatste zin. Het hele bovenstaande stuk tekst lees je dan dus zo:
Skimmend lezen is een manier van lezen waarbij je alle overbodige informatie overslaat - Als je het leesdoel van tevoren hebt bepaald en dat goed voor ogen houdt, is het niet moeilijk de sleutelwoorden in een tekst aan te wijzen.
Je hebt nu de essentie van het stukje tekst gelezen en de voorbeelden en uitleg overgeslagen. Als je toch wilt weten wat er in het middenstuk staat, kun je natuurlijk altijd even teruglezen. Dat gaat altijd nog sneller dan het lezen van de hele alinea, omdat je nu weer gebruik kunt maken van de eerste techniek en alle overbodige woorden weg kunt laten.
Deze methode kun je ook toepassen op een heel hoofdstuk: lees dan de eerste en laatste zin van iedere paragraaf. Begrijp je iets niet? Spring dan terug en gebruik de eerste techniek weer.
Wees niet bang dat je belangrijke stukken overslaat. Als het echt belangrijke informatie is, merk je dat vanzelf, doordat je bepaalde stukken niet begrijpt of er ineens een rare gedachtesprong wordt gemaakt.
Leestechniek 3: diagonaal lezen
Een andere veelgebruikte leestechniek is diagonaal lezen. Het wordt ook wel scannen genoemd. De techniek is gebaseerd op hoe we zien. Als je achter je computer aan het werk bent, kijk je naar de monitor. Maar dat is niet het enige dat je ziet. Je ziet ook je bureau, je toetsenbord en dat kopje koffie dat op je bureau staat.
Hetzelfde doe je in het verkeer. Als je in de auto zit, let je op wat er voor je gebeurt, maar je ziet ook dat aan weerszijden van de weg bomen staan, dat er borden boven de weg hangen, dat er een zijstraat aankomt, dat er een fietser op het fietspad naast de weg rijdt...
Zelfs de auto die achter je rijdt en wil gaan inhalen, zie je. Zodra hij met zijn manoeuvre begint, registreer je dat en onderneem je actie. Je focust dan ineens meer op die auto, want die is heel even van meer belang dan de zijstraat in de verte of de borden boven de weg. Toch zie je ook dan al die andere dingen nog.
Dat kan met tekst ook, alleen kijk je dan naar de tekst en onderneem je actie bij sleutelwoorden of andere opvallende elementen. Dat is diagonaal lezen.
Oefening
Neem een hoofdstuk uit een van je boeken op de stapel en volg de onderstaande stappen.
* Laat je blik rusten op het midden van de eerste regel, zonder de woorden bewust te lezen
* Laat nu je ogen rustig over het midden van de pagina naar beneden glijden
* Bij belangrijke woorden zul je merken dat je blik even blijft haken. Lees dan dat stukje helemaal of skim het.
Je kijkt dus naar de tekst zonder hem te lezen, en de belangrijke dingen vallen je vanzelf op. Tenminste, als je van tevoren je leesdoel hebt bepaald. Want alleen dan weet je precies waar je naar op zoek bent en welke woorden daarvoor van belang kunnen zijn. Ook hier geldt: hoe nauwkeuriger je leesdoel omschreven is, hoe sneller je de juiste informatie vindt.
Lezen en onthouden
De bedoeling van snellezen is niet alleen dat je grote stukken tekst in rap tempo kunt doornemen. Het punt is juist dat je de belangrijkste informatie uit de tekst onthoudt en later weer op kunt roepen. Hieronder lees je hoe je dat voor elkaar krijgt.
Structuur aanbrengen
Stel tijdens het oriënterend lezen vast hoe duidelijk de structuur aanwezig is in de tekst.
* Heeft de schrijver een duidelijke structuur aangebracht, dan hoef je hem alleen maar te versterken door er je eigen aantekeningen aan toe te voegen. Schrijf de sleutelwoorden en belangrijke ideeën op, voorzien van paginanummers. Het hoeft geen samenhangend geheel te zijn, zolang je maar aan je aantekeningen kunt zien waar welke informatie staat.
* Maar er zijn ook teksten waarin geen gemakkelijk herkenbare structuur aanwezig is. Dan is het aan jou om die aan te brengen. Maak daarvoor een structuurschema.
Als hulpmiddel kun je een markeerstift gebruiken. Maar houd daarbij ook weer goed je leesdoel in de gaten, anders loop je het risico dat je teveel markeert. En ook als je een markeerstift gebruikt, is het belangrijk om aantekeningen te maken, zodat je later in één oogopslag kunt zien op welke pagina je moet zijn.
Bij het aanbrengen van structuur gaat het in eerste instantie om de macrostructuur. De microstructuur kun je aanbrengen als je dieper de stof induikt.
Als je de structuur in de tekst hebt aangebracht, leer die dan uit je hoofd. Dat helpt je later om verbanden te leggen en informatie in je geheugen terug te roepen.
Verbanden leggen
Als je een tekst beter wilt onthouden, leg dan verband tussen nieuwe informatie en kennis die je al hebt. Feitenkennis vervaagt snel, het zijn de concrete verbanden tussen de feiten die je onthoudt. Verbanden leggen doe je door te denken aan twee dingen (natuurlijk weer in combinatie met je leesdoel): de informatie die je wilt onthouden en voorbeelden, toepassingen of ervaringen die je zelf bedenkt.
Vaak legt een schrijver zelf al de nodige verbanden in een tekst. Kijk daarnaar en vraag je af of je zelf nog andere verbanden kunt bedenken. Schrijf die ook kort op in je aantekeningen of structuurschema. Leer vervolgens niet alleen de tekst uit je hoofd, maar besteed ook steeds aandacht aan het onthouden van de verbanden.
Herhalen
Met de aangebrachte structuur en de gelegde verbanden in je achterhoofd wordt het veel gemakkelijker om informatie echt uit je hoofd te leren. Uit het hoofd leren is gebaseerd op herhaling. Daarom is het ook beter om vaak te leren dan om lang aan één stuk door te leren. Doordat je de stof, en dus ook de verbanden, vaak herhaalt, blijft het beter hangen en verwerft de informatie ook een plek in je lange termijngeheugen.
Oefening baart kunst
Aan het begin van deze cursus heb je een tekst in je normale snelheid gelezen. Nu is het tijd om de tweede tekst en je stopwatch er weer bij te pakken. Bepaal een leesdoel en kies een leestechniek: oriënterend, skimmend of diagonaal. Na het doornemen van de tekst noteer je de tijd.
Ging het sneller? Als dat niet het geval is, geeft dat niet. Snellezen vergt oefening! Als je elke dag een half uurtje leest met behulp van de technieken in deze cursus, zul je merken dat je vanzelf sneller gaat lezen. Probeer ook uit welke techniek voor jou het beste werkt.
Leuke weetjes
* Mensen lezen gemiddeld 250 woorden per minuut.
* De Amerikaanse bioloog-psycholoog Howard Stephen Berg leest 25.000 woorden per minuut en is daarmee de snelste lezer ter wereld.
De leessnelheid wordt uitgedrukt in het aantal woorden per minuut (wpm) en is het resultaat van het quotiënt van het aantal woorden uit een tekst en de tijd die nodig was om die tekst te lezen:
Formule voor leessnelheid:
wpm = aantal woorden / tijd
De gemiddelde leessnelheid van een volwassene schommelt tussen de 200 à 240 woorden per minuut. Die snelheid verschilt amper van de leessnelheid die gehanteerd wordt in de lagere en middelbare school.
Heel opvallend in onderstaande tabel is dat studenten uit het hoger onderwijs en verder er blijkbaar wel in slagen om hun leessnelheid op te drijven. Dat heeft niet zozeer met hun intelligentie te maken als wel met de druk en de motivatie om veel stof op korte tijd te moeten verwerken.
Eenmaal afgestudeerd valt bij de meesten die druk weg met als gevolg dat hun leesniveau daalt tot het beginniveau.
Opleidingsniveau Snelheid
Basisschool 200 wpm
Middelbare school 250 wpm
Hoger Onderwijs 325 wpm
Vervolgstudie 400 wpm
Volwassene 200 wpm
Mits enkele eenvoudige technieken en wat oefening kan je gemakkelijk terug het niveau van 400 wpm bereiken én volhouden. Je ontdekt er hierna meer over.
/ Lezen met een wijzer
Wanneer een kind begint te lezen zet het haast automatisch zijn of haar vingertje op de tekst. Meestal duurt dit niet lang want de leerkracht zal het onmiddellijk ontmoedigen omdat het zogezegd het lezen vertraagt.
Bovendien wordt het volgen van de tekst met een wijzer meewarig bekeken: volwassen die de techniek toepassen worden haast vanzelfsprekend als 'minder intelligent' beschouwd.
Nochtans gaan ogen meer ontspannen en efficiënter te werk wanneer ze een leidraad kunnen volgen.
Bedenk ook dat je in veel gevallen automatisch je vinger of schrijfgerief gebruikt om je te helpen. Dit is het geval wanneer je bijvoorbeeld een nummer opzoekt in een telefoongids, een reeks getallen optelt of jezelf concentreert op iets wat je wilt gaan opschrijven.
Is het dan niet vreemd dat je precies bij het lezen, temidden van al die bladzijden dansende lettertjes, geen hulpmiddel gebruikt?
Wie sneller wil lezen haalt alleen maar voordeel uit het gebruik van een begeleidend hulpmiddel. Pen of een potlood zijn ideale tools.
Je kan ook je vinger gebruiken maar je doet het beter niet aangezien je hand het overzicht op de tekst zal wegnemen.
Je kan jezelf extra stimuleren door af en toe je pen of potlood sneller vooruit te bewegen dan je gewend bent. Op die manier spoor je jezelf aan om nog sneller te lezen.
We hebben allemaal leren lezen in de lagere school. De meesten onder ons leerden door een combinatie van de fonetische en de zie-en-zeg-methode.
* De fonetische methode vertrekt van het aanleren van de letters van het alfabet met de bijbehorende klanken. Vervolgens worden die letters met hun klanken gebundeld in woorden. Wie herinnert zich niet de juffrouw of meester die korte woordjes als 'kip' uiteentrok tot de samenstelling van de klanken 'kuh'- 'i' -'puh'?
Wanneer het kind geleerd heeft om de juiste klanken bij de juiste letters en, later, woorden te plaatsen, moet het leren om geluidloos te lezen. In het begin gaat dit heel moeizaam: kinderen (en vaak zelfs volwassenen) blijven hardop prevelen wat ze lezen. Dit prevelen, dit laten weerklinken van wat je leest wordt subvocalisatie genoemd.
* De zie-en-zeg methode maakt gebruik van afbeelding die hoort bij een geschreven woord. Ook hier wordt er eerst hardop geleerd waarna de leerkracht aanmaant om geluidloos te leren lezen.
* Wanneer het kind woorden herkent en geluidloos kan lezen, gaan we ervan uit dat het kan lezen. Vanaf dat moment krijgt het nog maar heel weinig extra instructies om zijn/haar leesvaardigheid te verbeteren.
* Eigenlijk ligt hier een grote misvatting want het leesniveau uit de lagere school is eigenlijk slechts een vertrekbasis voor de echte kunst van het lezen.
* Je kan het vergelijken met een baby die je leert kruipen maar die je - eens hij kan kruipen - aan zijn lot overlaat vanuit de veronderstelling dat hij het proces van voortbeweging onder de knie heeft. Bij lezen is het net zo: we zijn aan ons lot overgelaten in de kruipende fase en niemand heeft ons geleerd hoe we moeten stappen, laat staan rennen.
Een belangrijk inzicht voor wie sneller wil gaan lezen is dat je niet alleen leest met je ogen maar ook met je brein!
Je waarneming is nl breder dan je denkt en beslaat niet alleen een centraal blikveld met daarin de objecten waar je specifiek naar kijkt maar ook een perifeer blikveld.
Dat perifeer blikveld is van levensbelang wanneer je bijvoorbeeld met de auto rijdt: je kijkt recht voor je maar tegelijk registreren je hersenen ook wat er rondom je gebeurt.
Het perifeer blikveld beslaat maar liefst 80% van de 260 miljoen lichtgevoelige fotoreceptoren die zich in ons oog bevinden. De resterende 20% is gewijd aan het centraal blikveld.
Waarom deze onevenwichtige verhouding? De verklaring is simpel: de meeste gebeurtenissen doen zich voor rondom je eigen persoontje en je kan maar deftig functioneren als je hersenen je van dat alles op de hoogte houden.
Traditionele lezers gebruiken alleen de schamele 20% van het centraal blikveld. Snellezers doen daarnaast beroep op hun perifeer gezichtsveld: ze houden bijvoorbeeld hun tekst iets verder van zich af om een breder beeld te krijgen op de tekst.
Op die manier zien de hersenen niet alleen de regels die je op dat moment aan het lezen bent, maar tegelijk hernemen ze wat je al gelezen hebt en verkennen ze wat nog moet komen.
Deze ruime manier van lezen vermijdt ook dat je je ogen te strak fixeert en te snel vermoeit.
Naast het perifeer blikveld speelt ook het fotografisch geheugen een rol. Sla een boek een seconde lang open op een willekeurige bladzijde, doe het terug dicht en je mag er zeker van zijn dat je er iets van hebt 'geabsorbeerd': een titel, een woord, een cijfer...
Nog niet overtuigd? Bedenk dan het volgende: wanneer je met je wagen een straat inrijdt neem je in een fractie van een seconde waar wat de situatie is; dat het een winkelstraat is, dat er veel voetgangers staan te wachten aan het zebrapad, dat er een vrachtwagen stilstaat om uit te laden en ga zo maar door...
Wanneer we er in het dagelijks leven al in slagen om supersnel 1000 dingen tegelijk te zien en te verwerken, moet dat zeker lukken met een klein blad tekst.
Het fotografisch geheugen kan je gebruiken door je boek of document te doorbladeren. Probeer niet expliciet iets te lezen maar je zal merken dat je automatisch dingen gaat 'zien'. Je zal bijvoorbeeld merken dat een bepaalde term voortdurend terugkomt , dat het boek vol staat met cijfertjes, dat er stukken instaan die je kan overslaan...
Deze eerste verkennende trip geven je een globaal idee van wat je te wachten staat en zetten je op het juiste been wanneer je het echt gaat lezen.
Lezen doe je voor een groot stuk met je ogen. Belangrijk is dus dat je inzicht krijgt in het functioneren van je ogen tijdens het lezen. Op die manier kan je je ogen beter leren controleren en het leesproces versnellen.
Hoe bewegen je ogen terwijl je leest?
In tegenstelling tot wat je zou verwachten bewegen je ogen zich niet in een gelijkmatige glijdende beweging van links naar rechts. Ze maken daarentegen korte sprongetjes waarbij ze meestal per sprongetje één of maximum twee woorden omvatten en tussen elk sprongetje eventjes pauzeren om de woorden te kunnen absorberen.
Sneller lezen kan door het aantal sprongetjes per regel te verminderen: ipv 1 of 2 woorden groepeer je blokjes van 4 à 5 woorden ineens.
Ho maar, denk je nu misschien; op school moest je een tekst 'langzaam en nauwkeurig' lezen en nu wordt net omgekeerde beweerd: dat je sneller kan lezen zonder aan begrip te verliezen?
Toch is het zo. Hoe sneller je leest of hoe grotere sprongen je maakt, hoe beter je de tekst begrijpt.
* Test: langzaam met kleine sprongen
Nog niet overtuigd? Doe dan de test: lees onderstaande zin langzaam en zorgvuldig en neem stukje per stukje in je op:
Snel le zen is voor een goed be grip be ter ge ble ken dan lang zaam le zen
Lastig om op die manier te lezen?
Logisch want je hersenen zijn niet gemaakt om zo langzaam en stukje bij beetje tekst op te nemen.
Je zal ook al gemerkt hebben dat je gedachten terwijl je leest soms afdwalen. Dan ben je te langzaam aan het lezen, je hersenen vervelen zich en zoeken naar iets anders om zich mee bezig te houden.
* Test: snel met grote sprongen
Probeer het nu eens met volgende zin terwijl je de gegroepeerde woorden als één geheel probeert op te nemen:
Er is ontdekt dat de hersenen dankzij de ogen veel gemakkelijker
informatie absorberen als die informatie gerangschikt is
in zinvolle groepen
Herlezen
Veel mensen hebben de neiging om tijdens het lezen woorden of stukken van een zin opnieuw te lezen. Bij sommige mensen gebeurt dat bewust omdat ze denken dat ze het voorgaande niet goed begrepen hebben, bij anderen is het bijna een gewoonte om regelmatig een stukje terug te springen.
Hoedanook, in beide gevallen vertraagt herlezen de leessnelheid aanzienlijk.
Wie sneller wilt lezen moet zichzelf dwingen om verder te lezen, ook al geeft dat, zeker in het begin, een onbehaaglijk gevoel.
Bedenk ook dat uit onderzoek is gebleken dat wanneer mensen gedwongen worden om door te lezen, hun ogen in 80% van de gevallen de informatie wel degelijk hebben opgenomen.
Geconcentreerd lezen zal maar lukken wanneer je er rekening mee houdt dat sommige omstandigheden het lezen en het begrip zullen bevorderen terwijl er andere net het tegenovergestelde doen.
Hieronder geven we je een aantal tips waarmee je de omstandigheden naar je hand kan zetten:
Bepaal doelstellingen
Wat wil je bereiken met het lezen van een bepaald stuk? Zoek je naar specifieke info rond een afgelijnd topic of wil je algemene info opdoen? Wil je details weten of volstaan de grote lijnen?...
Afhankelijk van het antwoord op deze vragen kan je een tekst sneller doornemen en stukken overslaan.
Het spreekt ook voor zich dat je een gedicht of een roman niet gaat snellezen.
Bereid jezelf voor
Zorg dat je pen, papier en eventueel je bril bij de hand hebt. Zo voorkom je dat je na een halve bladzijde uit je concentratie raakt omdat je je spullen moet zoeken.
Timing
Als je een krappe agenda hebt bepaal je best vooraf hoeveel tijd je wil besteden aan je leesvoer. Je kan je stapel literatuur rangschikken volgens belangrijkheid. Experimenteer met de momenten waarop je het best leest. Voor sommigen is dat 's ochtends, anderen presteren het best 's nachts.
Pas je snelheid aan
Iets grondig lezen betekent niet per se langzaam lezen. Durf sneller te lezen, zeker wanneer de tekst gemakkelijk is.
Durf stukken overslaan wanneer ze herhalen wat je al weet. Vaak volstaat het om zulke stukken 'diagonaal' te lezen en in te pikken op woorden die nog volledig nieuw zijn.
Gebruik de tekststructuur
In kranten en tijdschriften staat de kerninformatie vervat in de eerste en laatste alinea's. Als je niet veel tijd hebt volstaat het om deze door te nemen.
Verder zijn titels, ondertitels, kleuren en typografie hulpmiddelen bij het vlotter manoevreren doorheen de tekst.
Kolommen maken het je extra gemakkelijk om sneller te lezen. Zij maken het mogelijk om in 2 oog-sprongen een volledige regel te lezen.
Neem pauzes
Wanneer je te lang leest zal je merken dat je gaat dagdromen. Van jongsaf aan kreeg je ingeprent dat dit een slecht teken was, dat je je niet meer concentreerde en dat je meer moeite moest doen. Nochtans is dagdromen juist het tegenovergestelde. Het is een positief signaal van het brein dat precies doet wat het moet: nl even uitrusten.
Maak het jezelf niet te comfortabel
Je moet ontspannen zitten maar wanneer je jezelf installeert in de meest comfortabele ligzetel riskeer je slaperig en dromerig te worden. Je zet je dus beter rechtop aan een tafel. Dat is ook praktischer wanneer je aantekeningen wil maken.
Vermijd onderbrekingen
Storende telefoontjes, discussiërende collega's of enthousiaste radiopresentatoren leiden je af van je leestaak. Probeer storende elementen van buitenaf zo veel mogelijk te beperken. Vraag bijvoorbeeld aan je collega's om je telefoontjes over te nemen.